
Je luistert naar het Taize-lied zingt Bonum est confidere. ‘Het is goed te vertrouwen op de Heer’
Kan ik, aan het begin van deze meditatie, alle trots die ik voel met betrekking tot mijn eigen kracht en kunnen opzij zetten? Kan ik mezelf plaatsen in de aanwezigheid van God, God die van mij houdt en mij heeft gekozen, met al mijn dwaasheid en al mijn zwakheden?
De lezing is genomen uit het Boek Exodus, hoofdstuk 14, vanaf vers 5.
Stel je deze scène eens voor! Aan één kant zie je een onoverbrugbare barrière, de Rode Zee. Van de andere kant stormt een leger van 600 strijdwagens op je af. Hoe voelt het om daar te staan?
Om je heen gezinnen, mannen, vrouwen, kinderen. Niemand om jullie te verdedigen. Jullie kunnen geen kant op. Wat doet dit met je?
Maar, bedenk ook dit: jullie zijn daar omdat God zich zo veel moeite heeft getroost jullie uit de slavernij in Egypte te bevrijden. Jullie zijn Gods volk. God heeft jullie een nieuw thuis en een nieuw leven beloofd. Hij zegt: “Wees niet bang.” Een van de 365 keer dat God in de Schrift zegt: “Wees NIET bang”. Als je nu nog een keer luistert, probeer dan tussen alles door te focussen op deze woorden: “Wees niet bang”.
Misschien bedoelt God wel dat wij nooit bang moeten zijn. Zie jij in jouw leven kans om op God en zijn beloften te vertrouwen? Kan je er met Hem over spreken?
Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden de farao en zijn hovelingen van gedachten en riepen ze uit: ‘Hoe hebben we de Israëlieten uit onze dienst laten gaan?’ Hij liet dus zijn strijdwagen inspannen en nam zijn manschappen met zich mee: zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, elk met drie man bezet. Want de HEER had de farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten, die onder de machtige bescherming van de HEER vertrokken waren, ging achtervolgen. Met alle paarden en wagens van de farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Israëlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-Hachirot, voor Baäl-Sefon. Toen de farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot de HEER. En tegen Mozes zeiden ze: ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven? Wat hebt u ons aangedaan door ons weg te voeren uit Egypte? Hebben wij u in Egypte al niet gewaarschuwd: bemoei u niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter om hen te dienen dan te sterven in de woestijn.’ Mozes antwoordde het volk: ‘Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe de HEER u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog, daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer! De HEER zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.’ Toen sprak de HEER tot Mozes: ‘Wat roept u Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. Uzelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en haar in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik mijn heerlijkheid bewijzen ten koste van de farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. De Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER ben, als Ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.’